Landelijk

Beng-eisen aangescherpt

De ministerraad heeft op voorstel van minister Ollongren van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) ingestemd met een wijziging van het Bouwbesluit over energiezuinige nieuwbouweisen. Met deze wijziging moeten vanaf 1 juli 2020 alle nieuw te bouwen gebouwen voldoen aan de Bijna Energieneutrale Gebouw eisen (BENG). Daarmee worden strengere eisen gesteld om zo het energiegebruik te verlagen.

In de Europese richtlijn energieprestatie van gebouwen is afgesproken dat alle nieuwe gebouwen bijna energieneutraal moeten zijn. Minister Ollongren: ‘Hiermee wordt een belangrijke bijdrage geleverd aan het behalen van de klimaatdoelen die in Parijs zijn vastgesteld en de afspraken in het Energieakkoord. Omdat fossiele brandstoffen eindig én milieubelastend zijn, stimuleert de Europese Unie het investeren in zonne- en windenergie. Door zelf energie op te wekken en toe te werken naar één Europees energienetwerk moet energie schoner en goedkoper worden.’

Energievraag beperken
Gebouwen spelen een belangrijke rol in het Europese energiebeleid vanwege hun grote bijdrage aan het energiegebruik en de daarmee gepaard gaande CO₂ emissies. In Nederland worden nog 1 miljoen woningen bijgebouwd. Met de nieuwe BENG-eisen wordt in Nederland een belangrijke stap gezet om het energiegebruik van woningen en gebouwen te beperken.

Internetconsultatie
De strengere eisen hebben grote consequenties voor ontwikkelaars, architecten en bouwers en vragen om een zorgvuldige invoering. De minister heeft dan ook goed naar de adviezen geluisterd die kwamen uit de internetconsultatie. De reacties op de nieuwe BENG-eisen waren divers. Duidelijk was wel dat de BENG 1 eis, de maximale energiebehoefte van een gebouw, scherper mocht. Ollongren: ‘Ik heb deze eis aangescherpt. De BENG 1 eis voor de meeste tussenwoningen gaat hiermee van 70 kWh/m².jr naar 55kWh/m².jr. Van belang is dat de nieuwe gebouwen zo energiezuinig mogelijk zijn, zodat er niet onnodig energie wordt gebruikt.’

Deze differentiatie – waar de Tweede Kamer ook op heeft aangedrongen – leidt verder tot een aanscherping van de eis voor de meeste woongebouwen, voor een deel van hoekwoningen en twee-onder-een-kapwoningen en voor een beperkt deel van de vrijstaande woningen. In de internetconsultatie was verder aangegeven dat lichte bouwwijzen (zoals hout- en skeletbouwwoningen) onnodig worden benadeeld, terwijl op bouwmaterialenniveau de daarbij gebruikte materialen juist goed her te gebruiken zijn. Hieraan is tegemoetgekomen doordat de BENG 1 eis voor lichte bouwmaterialen wordt gecorrigeerd met 5 kWh/m².jr.

De BENG-eisen nu per 1 juli 2020
Partijen hebben via de internetconsultatie aangegeven dat de inwerkingtreding de BENG-eisen minimaal zes maanden na het beschikbaar komen van de noodzakelijke uitgeteste rekensoftware zijn ingang moet vinden, op zijn vroegst per 1 juli 2020. Het is van belang dat de markt zich goed kan voorbereiden op deze nieuwe bouweisen, daarom is de inwerkingtreding zes maanden later.

Gezond binnenklimaat
De minister ziet ook het belang van extra aandacht voor wooncomfort en een gezond binnenklimaat. In zeer goed geïsoleerde woningen is een gezond binnenklimaat in grote mate afhankelijk van de voorzieningen voor luchtverversing in gebouwen. Veel bewoners hebben de neiging om bij tocht de ventilatieopeningen af te sluiten, waardoor er voor de gezondheid nadelige situatie kan ontstaan. Om dit te voorkomen is er een maximum gesteld aan luchtsnelheid van verse (koude) ventilatielucht in gebouwen, zodat er geen tochtoverlast wordt ervaren.

Wat verandert er?
De nieuwe BENG eisen vervangen de EPC, de huidige eis voor nieuwbouw. De BENG eisen geven meer waarborgen dat een gebouw energiezuinig wordt ontworpen dan de EPC. Bij de EPC zou bijvoorbeeld een matige isolatie van de gebouwschil in een gebouw kunnen worden gezet, waarbij de EPC-eis kan worden gehaald door de energieverliezen te compenseren met zonnepanelen. De EPC-eis houdt namelijk geen rekening met het energieverlies van de woning door de gebouwnorm. Door de invoering van BENG-eisen kan dit niet meer, omdat BENG wel zelfstandige eisen stelt aan de schil van een gebouw en aan het aandeel hernieuwbare energie.

Bron: Rijksoverheid


In het Zuid-Afrikaanse Cradle of Humankind heeft de producent zelf een prefab-woning laten bouwen. Het interieur komt compleet uit de fabrieksband rollen en hoeft alleen nog maar in elkaar worden gezet.

Woningcorporatie doet proef met prefab-woningen

Het lukt bouwbedrijven maar niet de grote vraag naar nieuwe huizen bij te houden. Alle aandacht gaat daarom uit naar prefab-woningen: in de fabriek geproduceerde huizen die je ter plaatse als een pakketje in elkaar zet. Het grootste bouwbedrijf van Nederland, BAM, investeert in een Zuid-Afrikaanse start-up die onlangs z’n eerste huizen verkocht aan woningcorporatie Eigen Haard in Amsterdam. Proefmodellen zijn onderweg.
De start-up Thorb zegt luxueus te kunnen bouwen met een prikkelende missie: 100 procent woongeluk, 50 procent betalen. In het begin nog iets te ambitieus, maar toch: ,,Voor de eerste woningen betalen we minimaal 15 procent minder dan voor vergelijkbare huizen”, zegt Danny Wijnbelt, directeur Ontwikkeling bij Eigen Haard. ,,Wie weet is dit wel hét antwoord op de grote vraag naar betaalbaar wonen.” Eigen Haard koopt 96 huizen als de proefmodellen bevallen en heeft alvast een optie voor nog eens duizend prefab-woningen van Thorb.

Het unieke van de huizen is dat ze grotendeels machinaal vanuit het interieur worden opgebouwd, zegt mede-oprichter van Thorb Rick van den Bos. ,,Over een paar maanden komen de eerste drie huizen per schip naar Nederland. De woonkamers, de slaapkamers en de keukens passen precies in zeecontainers. Hier worden ze uitgepakt en er hoeven alleen nog maar wat muren omheen. Binnen twee maanden zijn ze woonklaar.”

Drie proefhuizen, waar komen ze te staan?
Van den Bos: ,,In Delft. We kunnen de huizen vanaf een fundering van beton op elkaar stapelen en dan laten we zoveel mogelijk mensen de woonbeleving testen. Iedereen kan zich aanmelden. Geïnteresseerde huurders en medewerkers van woningcorporaties bijvoorbeeld. Ze kunnen er een paar dagen of een week slapen en zelfs een feestje geven. Laat ze maar kijken of ze dan geluidsoverlast veroorzaken. Van alle feedback die we krijgen, kunnen we alleen maar leren.”

Hoe zien de huizen eruit, zijn het een soort containers?
“Nee, absoluut niet. Ze zijn veel luxer dan we in Nederland van sociale woningbouw gewend zijn en hebben ieder hun eigen unieke vorm en uitstraling. Dat komt puur door het proces. Ze worden grotendeels machinaal in elkaar gezet, maar het is geen massaproductie zonder keuzemogelijkheden. We geven afnemers de kans om zelf de kleuren en indelingen te kiezen. Als het aan mij ligt, komt die keuze zelfs van de huurders zelf. Voor de keuken kun je dan kiezen uit bijvoorbeeld vijf verschillende frontjes en drie printjes. Niet te excentriek trouwens, want de volgende bewoners moeten het ook nog leuk vinden.”

Waarom moeten de huizen helemaal uit Zuid-Afrika komen?
,,Daar is het bedrijf begonnen, maar de afzetmarkt in Europa is veel interessanter. Als we hier afnemers krijgen, gaan we ze ook hier bouwen. De wc-potten en badkamertegels komen nu al uit Duitsland. Nogal onzin om ze eerst naar Zuid-Afrika te sturen en dan weer terug naar Europa – niet duurzaam ook. Het heeft niks met de lagere productiekosten daar te maken.”

U zegt dat de bouw vanuit het interieur ontstaat. Worden ze dus gestoffeerd opgeleverd?
,,Ja, van de tegels in de badkamer, de vloeren, het bad, de muren… alles is kant-en-klaar. We kunnen zelfs het bed meeleveren en werken ook aan een eenvoudige integratie van Ikea-producten. Dan zouden we kasten en andere meubels er al in kunnen zetten. Muren eromheen, ramen erin en je kunt erin wonen. Alles naar keuze van de huurder natuurlijk.”

Hoe groot zijn de huizen?
Die in Delft krijgen een oppervlakte van 60 vierkante meter, maar de Zuid-Afrikaanse producent heeft z’n eigen huis op dezelfde manier gebouwd in het beschermde gebied Wieg van de mensheid. Dat huis is ruim 600 vierkante meter groot. Dat is het mooie van dit systeem: je kunt eindeloos variëren en uitbouwen. Normaal gesproken stijgt de bouwprijs van een huis grofweg lineair mee met het aantal vierkante meters, maar omdat bij dit systeem de interieurmodules de kern vormen, geldt die vuistregel niet meer. Ik sluit dan ook zeker niet uit dat we in de toekomst luxere en grotere huizen gaan verkopen.”

Maar u begint met sociale woningbouw?
,,Ja, dan kunnen we het snelste met volumes werken. Eén huis op deze manier neerzetten is duur, maar hoe meer je er verkoopt, hoe sneller de prijs zakt. Bovendien is het vanwege de hoge grondprijs nodig om te stapelen, oftewel huizen op elkaar te zetten. Tot 2022 werken we met een productiecapaciteit van 550 huizen per jaar. Doel is om binnen vijf jaar op een veelvoud daarvan te zitten en daarmee de prijs nog veel disruptiever te maken.”

Bron: AD

 

Lening voor ouderen om langer thuis te wonen amper aangevraagd

De lening voor ouderen die langer thuis willen blijven wonen, wordt amper aangevraagd. De ‘blijverslening’ is slechts 75 keer aangevraagd sinds 2015 volgens cijfers die BNR Nieuwsradio heeft opgevraagd bij het Stimuleringsfonds Volkshuisvesting.

De blijverslening is vergelijkbaar met een starterslening, alleen is deze bedoeld voor ouderen die hun huis willen aanpassen om zo langer thuis te kunnen blijven wonen. De lening kan gebruikt worden voor bijvoorbeeld het weghalen van drempels en het plaatsen van een traplift.

Onbekendheid
De lening kan momenteel bij meer dan honderd gemeenten worden aangevraagd. Ouderenorganisatie ANBO vindt dat nog niet genoeg, want Nederland telt meer dan driehonderd gemeenten. Volgens de ouderenorganisatie is dat ook een van de oorzaken waardoor zo weinig ouderen van de lening gebruikmaken. “De blijverslening moet landelijk geregeld worden, zodat het niet meer per gemeente verschilt”, zegt de woordvoerder van de ANBO.

Verder denkt de ouderenorganisatie dat het geringe aantal aanvragen ook komt doordat de lening nog bij te weinig mensen bekend is. “Gemeenten moeten meer doen aan voorlichting en de lening actief aanbieden aan ouderen.” Het ligt volgens de ANBO niet aan de voorwaarden.

De christelijke ouderenorganisatie KBO-PCOB voegt toe dat ouderen soms bang zijn om zich in de schulden te steken, ondanks de lage rente.

Overbodig?
De overheid streeft ernaar om ouderen langer zelfstandig thuis te laten wonen, wat goedkoper is dan wonen in een verzorgingshuis. De blijverslening is bedoeld als stimulans.

De PvdA gaat Kamervragen stellen om erachter te komen wat de precieze reden is van de weinige aanvragen. Het zou volgens de PvdA ook kunnen dat de lening niet effectief is of dat ouderen hem niet nodig hebben.

Bron: BNR Nieuwsradio

Stap naar privacywaakhond om woningverdeelsites

Eind 2018 had het TV-programma BNNVARA Kassa aandacht voor woningverdeelwebsites waar woningzoekenden verplicht werden jaar in jaar uit inkomensgegevens te delen, om te kunnen reageren op huurwoningen. Een slechte zaak, vinden wij. Inkomensgegevens zijn immers alleen relevant wanneer er een woning wordt toegewezen. Niet eerder. Het is dus een onnodige privacyschending van woningzoekenden. Daarom stuurden we de woningverdeelsites een brief met de oproep het verplichten van het uploaden van inkomensbewijzen ver voor de toewijzing van een woning te schrappen.

Jaar op jaar gegevens delen
Gemiddeld genomen staan woningzoekers negen jaar ingeschreven voordat ze een woning vinden. Dat betekent dat je vaak jaren aan het reageren bent voor je eindelijk een woning krijgt toegewezen. En dat je dus jaar op jaar inkomensgegevens aan het delen bent. Onder de Europese Privacywet geldt dat bedrijven en organisaties terughoudend moeten zijn met vragen naar persoonsgegevens. Vraag geen gegevens die niet nodig zijn. Inkomensgegevens over 2017, zijn niet relevant voor een woning die je in 2025 krijgt toegewezen. Gelukkig konden veel woningverdeelsites, zoals Woningnetregio Utrecht, zich vinden in deze kritiek. Zij besloten de uploadverplichting te laten vallen. Toch zijn er ook websites die stug door gaan met het verzamelen van inkomensgegevens. Zoals Woning in Zicht. Zij denken dat dit gewoon mag, schrijven ze in een reactie.

Gegevens alleen vragen en vastleggen als het nodig is
De Autoriteit Persoonsgegevens kijkt daar anders naar. In een reactie op de uitzending van Kassa zeggen zij: ‘in het algemeen geldt dat je alleen gegevens van iemand mag vragen en vastleggen op het moment dat dat echt nodig is. En dus niet omdat het handig is om alvast te hebben.’ Mocht een corporatie bijvoorbeeld op voorhand willen voorkomen dat mensen zich inschrijven voor woningen waar ze uiteindelijk geen aanspraak op kunnen maken, dan kan dat ook zonder bewijsstukken van de Belastingdienst te eisen.


Procedure bij de Autoriteit Persoonsgegevens
Woning in zicht heeft dan ook opnieuw een brief van de Woonbond ontvangen. Daarin melden we dat, wanneer de uploadverplichting van inkomensbewijzen blijft, we een procedure zullen starten bij de Autoriteit Persoonsgegevens.

Bron: Woonbond

“Woningen renoveren naar ‘0 op de meter’ financieel onverantwoord”

De verduurzaming vormt voor woningcorporaties een ongekende financiële uitdaging. Vooral het aanpassen van bestaande woningen vanwege het Klimaatakkoord betekent een mega-investering die een gat slaat in hun financiële balans, blijkt uit de Corporatie Survey van adviesbureau Finance Ideas onder zo’n 600 corporatiebestuurders en -managers . De maatregelen zijn kostbaar, leveren niet genoeg waardevermeerdering op en decimeren het noodzakelijke eigen vermogen. Tegelijkertijd kunnen en willen de woningcorporaties de kosten niet neerleggen bij hun huurders, omdat betaalbaarheid voorop staat. 

De circa 325 woningcorporaties die ons land telt, beheren samen bijna 2,4 miljoen huurwoningen. Voor verduurzaming van dit enorme aantal woningen denken de respondenten in eerste instantie aan het aanbrengen van spouwmuurisolatie bij groot onderhoud. Verder overweegt het overgrote deel van hen zonnepanelen aan te brengen. De focus ligt op het realiseren van gemiddeld een energielabel B. Opmerkelijk is dat bijna 45% van de respondenten van plan is om bestaande CV-ketels te vervangen door nieuwe, meer zuinige gasgestookte ketels, terwijl warmtepompen veel minder worden genoemd.

Kostbare maatregelen, zoals het aanbrengen van een isolatieschil om bestaande woningen, zien zij als een te groot financieel risico. Het energieneutraal (‘0 op de meter’) maken van hun woningen zien ze zelfs als financieel onverantwoord. Ook over de rol van warmtenetten denken zij anders dan het opstellers van het Klimaatakkoord. Die afspraak gaat er namelijk vanuit dat warmtenetten in 2030 in 50% van de warmtevraag voorzien, terwijl het grootste deel van de woningcorporaties verwacht dat dit nog geen 20% zal zijn.

Bron: Gebiedsontwikkeling.nu

Het is zover: de uitkomsten van het evaluatieonderzoek naar de Woningwet 2015 zijn bekend!

Het is inmiddels drie jaar geleden dat de Woningwet werd herzien. Hoogste tijd dus voor een evaluatie: hoe pakt de Woningwet 2015 eigenlijk uit? Het ministerie van BZK voert deze evaluatie momenteel uit en presenteert in december haar uitkomsten. Zij focust daarbij vooral op de vraag of de Woningwet haar beoogde doelstellingen ook daadwerkelijk realiseert. Oftewel: ‘doet de wet wat zij moest doen?’ Daarnaast verricht de Aedescommissie-Van Bochove een eigen evaluatieonderzoek naar de Woningwet 2015, als ‘aanvullend geluid’ vanuit de sector. De aanvulling zit in de brede kijk van de commissie: zij focust op alle gevolgen van de Woningwet voor de uitvoeringspraktijk. Oftewel: ‘wat doet de wet?’ De commissie let daarbij specifiek op de kansen en belemmeringen voor woningcorporaties en hun partners om maatschappelijke opgaven adequaat op te pakken, nu en in de toekomst.

 

Atrivé draagt bij aan advies
Maandag 19 november, was het zover. De Aedescommissie-Van Bochove maakte haar adviesrapport bekend. Dat is extra speciaal, omdat Atrivé hier een bijdrage aan leverde. Wij mochten de gevolgen van de Woningwet voor de uitvoeringspraktijk evalueren. Naast ons praktijkonderzoek, baseert de commissie zich voor haar advies op een juridisch onderzoek en verschillende essays van experts (zoals Johan Conijn, Piet Sebrechts en Rudy de Jong). De commissie concludeert dat de Woningwet momenteel te stringente landelijke regels bevat met te weinig mogelijkheden om lokaal maatwerk te leveren. Haar advies luidt daarom: “geef gemeenten, huurders en corporaties meer ruimte voor lokaal woonbeleid”.

Onze slotsom
In het praktijkonderzoek komen wij tot de slotsom dat de Woningwet frustreert, infantiliseert en verlamt. Onvrede overheerst. De Woningwet roept in zijn uitwerking, toepassing en handhaving veel ongemak en ongenoegen op – niet alleen bij woningcorporaties, ook gemeenten, huurdersorganisaties en zorg- en welzijnsorganisaties lopen tegen de negatieve kanten van de Woningwet aan. De uitwerking en handhaving van de Woningwet blijken te bevoogdend richting corporaties en hun partners, dit maakt hen risicomijdend en ondernemingsschuw. Zo remt de Wet de noodzakelijke innovatie om volkshuisvestelijke en maatschappelijke opgaven adequaat op te pakken, nu en in de toekomst. Dit is een ongewenste en zorgwekkende ontwikkeling. Sectorpartijen vragen daarom om een aanpassing van de Woningwet.

Groeiende opgaven…
Aanpassing van de Woningwet is hoognodig, want de opgaven zijn groot en groeiend. Er is schaarste aan woningen, vooral wat betreft middeninkomens en bijzondere zorgvragers; het passend toewijzen zorgt voor een concentratie van kwetsbaarheid in buurten en belemmert de doorstroming; in deze kwetsbare buurten daalt het woongenot en ontstaan leefbaarheidsvraagstukken. Ook daalt het voorzieningenniveau in dergelijke buurten, met kalere maatschappelijke landschappen tot gevolg. Daardoor komt niet alleen het ‘prettig samen wonen’ onder druk te staan, ook het ‘wonen met passende (zorg)voorzieningen’ komt in het geding. Veelzeggend is dat men nu al vreest voor het terugkomen van ‘Vogelaarwijken’ als de gevolgen van de passend toewijzen maatregel aanhouden. Daarnaast staan woningcorporaties voor een grote verduurzamingsopgave: zij moeten energiebesparende maatregelen doorvoeren om de woningen ook in de toekomst betaalbaar te houden.

… tegelijkertijd ingeperkte handelingsruimte
De uitvoeringspraktijk laat zien dat het effectief oppakken van deze opgaven, nu en in de toekomst, ernstig belemmerd wordt door de uitwerking, toepassing en handhaving van de Woningwet. Door fiscale heffingen hebben corporaties minder verdiencapaciteit, en dus minder investeringsruimte. Ook sluiten regels en normen onvoldoende aan op wat lokaal nodig wordt geacht, vooral op het gebied van passend toewijzen en leefbaarheid. Kort gezegd: waar behoefte aan is, mag niet altijd. Vooral het woud aan fijnmazige wet- en regelgeving zit in de weg, net als de legalistische handhaving van de Autoriteit woningcorporaties naar ‘de letter’ van de wet. Het risico-regel-reflex overheerst: gesignaleerde knelpunten in de regelgeving leiden in veel gevallen tot nog meer regels en verantwoording. Zo groeit de governancekluwe, terwijl er geen regels geschrapt worden. Dit alles maakt dat de Woningwet knelt: ‘de dingen goed doen’ zit ‘de goede dingen doen’ in de weg. Het is een kwestie van of-of geworden, in plaats van en-en.

De wet maakt afwachtend en ondernemingsschuw
Opvallend is dat de Woningwet wel (experimenteer)ruimte biedt aan corporaties. Keer op keer blijkt echter dat corporaties deze ruimte nu niet benutten, laat staan de grenzen van de wet opzoeken. Dit signaleert een ander, meer verborgen effect van de wet. De Woningwet infantiliseert en verlamt: we zien een beweging van ondernemen naar gehoorzaam zijn, afwachten en risico’s mijden. Als gevolg van de Woningwet wordt er te veel gewerkt vanuit regels en voorzichtigheid en te weinig vanuit gezond verstand en maatschappelijke waardeoriëntatie. Zo remt de Woningwet het zeer gewenste maatschappelijke ondernemerschap en blijft de noodzakelijke vernieuwing uit.

Dringend verzoek tot verandering
Het evaluatieonderzoek van Atrivé haalt een dringend verzoek tot aanpassing van de Woningwet op. Sectorpartijen willen dat de wet hen minder bevoogdt en meer bijdraagt aan het oppakken van (toekomstige) volkshuisvestelijke opgaven. Dat vraagt om meer ruimte voor corporaties en hun partners om samen, vanuit het gezonde verstand en ‘de bedoeling’, initiatief te nemen tot maatwerk en vernieuwing. Zie (de samenvatting van) het evaluatierapport voor de concrete voorstellen voor verandering die we ophaalden uit de sector.
Bron: Atrivé

Huurders willen betaalbare verduurzaming

Huurders werken graag mee aan verduurzaming van hun woning, maar ze willen er niet extra voor betalen. Dat blijkt uit onderzoek onder 10.000 huurders dat het Kwaliteitscentrum Woningcorporaties Huursector (KWH) uitvoerde.
De bereidheid onder huurders om mee te werken aan verduurzaming van hun woning is groot. In het onderzoek geeft maar liefst 94% aan hier positief tegenover te staan.

Betaalbaarheid van belang
De voorwaarde waaronder is heel duidelijk; 80% geeft aan dat het ze vooral niets extra’s mag kosten. En ruim een kwart (27%) is alleen bereid mee te werken als het daadwerkelijk een besparing oplevert. Slechts 1% van de huurders geeft aan helemaal niet mee te willen werken aan het verduurzamen van de woning.

Vertrouwen in corporatie
Wat ook meespeelt bij het meekrijgen van de huurder, is het vertrouwen dat hij heeft in zijn corporatie. Huurders die erg weinig vertrouwen hebben in de corporatie zien veel vaker de negatieve gevolgen van het verduurzamen en geven daarom iets vaker aan niet mee te willen werken. Als ze wel willen meewerken is dat hoofdzakelijk als het daadwerkelijk een besparing oplevert.

Laat de huurder profiteren van energiebesparing
De Woonbond pleit voor een eerlijke verduurzaming van de huursector. Dat houdt in dat de belasting die sociale huurders nu aan het Rijk betalen (de verhuurderheffing) wordt ingezet voor het verduurzamen van huurwoningen. Zo kunnen sociale verhuurders woningen energiezuinig maken zonder dat dit tot hogere woonlasten leidt. Daarnaast pleit de Woonbond voor het verduurzamen van huurwoningen waarbij de huurverhoging die hiermee gepaard gaat altijd lager is dan de daling van de energierekening, zodat huurders erop vooruit gaan.

Bron: Woonbond

Energie wordt fors duurder in 2019

De energierekening stijgt volgend jaar voor veel huishoudens met ruim 300 euro. Ongeveer de helft van de Nederlandse huishoudens heeft een variabel energietarief en krijgt met deze forse verhoging te maken.Op basis van de nieuwe tarieven van de drie grootste energieleveranciers, Nuon, Essent en Eneco, wordt duidelijk dat de totale energierekening voor een meerpersoonshuishouden per 1 januari 2019 stijgt met gemiddeld € 327,-. Dit is een stijging van in totaal 17 procent ten opzichte van het afgelopen half jaar. Dat maakte de consumentenvergelijkingswebsite Pricewise 14 december bekend.

Hogere tarieven en belastingen
De stijging wordt vooral veroorzaakt door een forse stijging van de leveringstarieven voor gas en stroom en de stijgende energiebelastingen op gas. Sinds 2014 zijn de kosten in de vorm van energiebelastingen en de Opslag Duurzame Energie (ODE) al met 68 procent gestegen.

Helft heeft variabel tarief
Ongeveer de helft van de Nederlanders heeft een variabel tarief en krijgt dus per 1 januari 2019 te maken met de stijging. Consumenten die nog nooit zijn overgestapt of al enkele jaren geleden zijn overgestapt en sindsdien hun contract niet meer hebben aangepast, hebben meestal een contract met variabele tarieven.

Verschillen tussen leveranciers
Bij Eneco gaat een driepersoonshuishouden volgens de berekeningen van Pricewise € 206,- meer betalen, bij Nuon € 173,- en bij Essent € 141,-. De meeste huishoudens hebben de afgelopen dagen al bericht gekregen van hun leverancier over de impact van prijsstijg ingen op hun maandelijkse energiebedrag.

In twee jaar 40 procent meer belasting
De totale energierekening is na een daling tussen 2014 en 2017 weer flink gaan stijgen. Tussen 2017 en 2019 is de totale energierekening met 30 procent gestegen en de belastingen erop met maar liefst 40 procent.

Woonwijken nog lang niet klaar voor vergrijzing

In 2040 bestaat Nederland voornamelijk uit ouderen, en zij moeten allemaal zo lang mogelijk zelfstandig wonen. Maar volgens Rijksbouwmeester Floris Alkemade zijn onze woonwijken daar helemaal niet op gebouwd. De woningen zijn te groot, er zijn te veel trappen en drempels en er is veel te weinig ruimte voor ontmoeting.
Als gevolg van het regeringsbeleid hebben de meeste verzorgingshuizen de afgelopen jaren de deuren gesloten. Verpleeghuizen bestaan nog wel, maar die zijn alleen nog beschikbaar voor ouderen die 24 uur per dag zorg nodig hebben.
Bijna alle verzorgingshuizen in Nederland zijn opgedoekt. Sindsdien valt er voor het handjevol ouderen dat er nog zelfstandig woont, weinig te beleven.

Er is hier niets meer te beleven
Dit betekent dat de meeste ouderen hun laatste jaren zelfstandig door moeten brengen in gewone huizen en gewone woonwijken. Als er zorg nodig is, is die beschikbaar in de vorm van huishoudelijke hulp of wijkverpleging aan huis.

Te grote woningen
Alkemade adviseert de Rijksoverheid over onze stedelijke omgeving, en waarschuwt dat onze wijken niet zijn uitgerust om de nieuwe gewenste woonvormen op grote schaal mogelijk te maken.
“Er is een grote nieuwe bouwopgave nodig om onze naoorlogse woonwijken om te bouwen voor wijken die meer ouderenvriendelijk zijn.” De naoorlogse wijken zijn gebouwd voor grote gezinnen, terwijl 40 procent van de huishoudens op dit moment bestaat uit alleenstaanden. Daarmee zijn veel woningen te groot.

Ook zou Alkemade graag zien dat ouderen zich gemakkelijker door de straten kunnen bewegen. “Er is veel te weinig ruimte voor voetgangers en leven op straat. Onze straten zijn een soort parkeerplaatsen geworden waar auto’s centraal staan, in plaats van mensen”, zegt Alkemade. Er zijn volgens hem ook te veel hoge drempels, wat een obstakel kan vormen voor mensen die minder mobiel zijn. Steeds meer van wat vroeger gemeenschappelijk was, is nu verdwenen uit onze levens.

Rijksbouwmeester Floris Alkemade
Een ander belangrijk punt volgens de Rijksbouwmeester: “Een groot deel van de bevolking – niet alleen ouderen – is aan het vereenzamen. Dat is een schrijnende situatie, en als ontwerpers moeten we dat ter harte nemen.
Hij legt uit: “Vroeger was een sterk verenigings- en familieleven vanzelfsprekend, en de kerk was belangrijk. De verzorgingsstaat bekommerde zich om de burgers en bood veel aan. Steeds meer van wat vroeger gemeenschappelijk was, is nu verdwenen uit onze levens.Hij vervolgt: “Veel ouderen zijn nu op zichzelf aangewezen en de openbare ruimte biedt weinig mogelijkheden voor ontmoeting. Ook hebben we tegenwoordig moeite om sociale verbanden aan te gaan. Daarom moeten we onze gebouwen en wijken op zo’n manier transformeren dat we mensen weer uitnodigen om met elkaar in contact te komen.

Kleine ingreep
De oude verzorgingshuizen boden vaak activiteiten en voorzieningen, maar die zijn er nu niet meer. De panden die zijn overgebleven, kunnen volgens de Rijksbouwmeester met een kleine ingreep weer betekenisvolle plekken voor ouderen worden. Met bijvoorbeeld zelfstandige woningen en een gemeenschappelijke woonkamer of keuken. “Zodat je ’s avonds niet alleen tv hoeft te kijken, of ’s ochtends mensen tegenkomt als je koffie zet. Dat kan al veel verschil maken.”